Wednesday, September 1, 2010

Swami Vivekananda

SWAMI VIVEKANANDA

Swami Vivekananda (1863-1902) leerde Sri Ramakrishna kennen in 1881 toen hij nog een student was en gedurende de volgende vijf jaren was hij een geregelde bezoeker van de Meester en er bestond een enge verhouding tussen hen. Als de meest vooraanstaande discipel van de Meester was zijn levensloop nauw verbonden met de laatste episode van het leven van de Meester. Swami Vivekananda's memoirs zijn opgenomen in zijn biografie. In 1893 bracht hij de tijding van Vedanta naar het Westen, en in 1897 stichtte hij de Ramakrishna Math en Mission.

De eerste Ontmoeting met-Sri Ramakrishna

Mijn eerste bezoek aan Sri Ramakrishna vond plaats in de tempeltuin in Dakshineswar in zijn kamer. Op die dag zong ik twee liederen. Zodra ik het eerste lied[1] had beeindigd, stond de Meester op en nam mij bij de hand en geleidde mij naar de noordelijke veranda. Het was winter en dus waren de open ruimten tussen de pilaren beschermd met matten tegen de noordewind en dit betekende wanneer de deur naar de kamer dicht was iemand die op de veranda stond niet binnen noch buiten gezien kon worden. Zodra we op de veranda stonden deed de Meester de deur dicht. Ik veronderstelde dat hij mij enkele instrukties wilde geven achter gesloten deuren. Maar wat hij toen deed en zei had ik nooit voor mogelijk gehouden. Hij pakte plotseling mijn hand beet en de tranen van louter vreugde begonnen over zijn wangen te rollen. Hij zei op liefdevolle toon tegen mij als tegen een goede vriend: "Je bent zo laat gekomen. Dat was niet aardig! Kon je niet raden hoe ik op je heb zitten wachten? Mijn oren branden van al dat wereldse gepraat van die mensen. Ik was bang dat ik zou ontploffen omdat er niemand was met wien ik erover kon praten hoe ik me voelde." Zo ging hij maar door al wenende. En toen vouwde hij plotseling zijn handen samen en begon tegen mij te spreken alsof ik het een of andere goddelijk wezen was. "Ik weet wie Gij zijt, Heer. Gij zijt Nara, de heilige van weleer, de incarnatie van Narayana. Gij zijt weer op aarde gekomen om het lijden en de kommer van de mensheid te verlichten."

Ik was volkomen met stomheid geslagen. Ik zei bij mezelf: "Wat voor een man is dat? Hij lijkt wel stapelgek: Hoe durft hij zo tot mij te spreken. Ik ben gewoon een nul - de zoon van Vishwanath Datta!' Maar ik gaf geen antwoord en ik liet die mooie gek maar praten naar lievelust. Even later verzocht hij mij om daar op de veranda te blijven staan en hij ging terug naar zijn kamer en kwam terug met boter, suikerklontjes en een paar stukjes sandesh en toen begon hij mij eigenhandig te voeren. Ik verzocht hem steeds mij de lekkernijen te geven zodat ik ze met mijn vrienden kon delen maar hij weigerde. "Zij krijgen later wel wat," zei hij. "Jij moet deze zelf hebben." En hij was pas tevreden toen ik zelf alles had opgegeten. "Toen pakte hij me bij de hand en zei: "Beloof mij dat je spoedig terugkomt, alleen." Ik kon zijn verzoek moeilijk weigeren, het werd op zo'n ernstige wijze geuit. En ik zei dus: "Ja, dat zal ik doen." Toen ging ik terug met hem naar zijn kamer en ik ging bij mijn vrienden zitten.

Ik ging zitten en keek naar hem. Er was niets verkeerds in zijn woorden, bewegingen of gedrag ten opzichte van de anderen. Integendeel, te oordelen naar zijn geinspireerde woorden en ecstatische stemmingen scheen hij een man te zijn van oprechte ontzegging. Zijn woorden en levenswijze waren in opvallende overeenstemming. Hij gebruikte een uiterst simpele manier van woordkeuze en ik dacht: "Kan deze man een groot leeraar zijn?" Ik kroop wat dichter bij hem en stelde hem de vraag die ik al vaak had gesteld: "Heer, hebt U God gezien?" "Ja, ik zie hem net zoals ik jou hier zie alleen op een veel intensievere wijze." Hij ging verder. Men kan God-realisatie ervaren. Men kan Hem zien en met Hem spreken net zoals ik met jou spreek en jou zie. Maar wie heeft dat verlangen ? De mensen huilen tranen met tuiten om hun vrouw en kinderen, om hun rijkdom of bezittingen, maar hoevelen doen dat voor God? Wanneer men oprecht tranen vergiet voor Hem, dan zal hij zich zeker openbaren." Dat maakte meteen indruk op mij. Voor het eerst had ik iemand ontmoet die eerlijk durfde zeggen dat hij God had gezien en dat religie een realiteit was die men kan ervaren, ondervinden op een oneindig intensievere wijze dan wij de wereld ervaren. Toen ik die woorden van zijn lippen hoorde kon ik slechts geloven dat hij die uitsprak niet in de rol van een prediker maar uit de diepten van zijn eigen realisaties.Maar ik trachtte tevergeefs zijn woorden in overeenstemming te brengen met zijn vreemd gedrag jegens mij. En ik stelde dus vast dat hij een monomaniac moest zijn. En toch moest ik wel erkennen dat zijn onthechting buitengewoon groot was. "Laat hij dan een gek zijn dacht ik maar slechts enkele geluksvogels zijn in staat dergelijke onthechting te betrachten. Ook al is hij misschien niet goed bij zijn verstand deze man behoort tot de heiligste onder de heiligen, een waar heiligman en daardoor alleen verdient hij te worden vereerd door de mensheid."

Terwijl soortgelijke tegenstrijdige gedachten in mij opkwamen boog ik terneer voor hem en vroeg vergunning naar Calcutta terug te keren.

Het Tweede Bezoek

Ik was me er niet van bewust dat de Dakshineswar tempel zo ver van Calcutta verwijderd was want ik was er pas een keer geweest en toen was ik per voertuig gegaan. Deze keer leek het wel alsof er geen einde aan de tocht kwam ook al liep ik hard. Maar nadat ik enkele mensen de weg had gevraagd kwam ik ten lange leste in Dakshineswar aan en ik ging meteen naar de kamer van de Meester. Ik trof hem aan zittend diep in zijn meditatie verzonken. Op de lage rust-bank die naast het grote bed staat. Er was niemand bij hem aanwezig. Zodra hij mij ontwaardde, riep hij mij op vreugdevolle toon tot zich en verzocht mij plaats te nemen op het andere einde van de rustbank. Hij verkeerde in een vreemde stemming. Hij mompelde iets bij zichzelf dat ik niet kon verstaan en toen keek hij met doordringende blik naar mij. Hij stond op en kwam op mij toe. Ik dacht dat we weer een gekke scene zouden beleven. Nauwelijks was die gedachte in mijn hoofd opgekomen of hij plaatste zijn rechter voet op mijn lichaam. Ik had onmiddellijk een wonderbaarlijke ervaring. Mijn ogen waren wijd open en toen zag ik hoe alles in de kamer tot de muren toe snel rond begon te draaien en te verdwijnen en tezelfdertijd scheen het dat het bewustzijn van mijzelf tezamen met het gehele heelal ging verdwijnen in een enorme wijde alles-verslindende leegte. Dit te niet doen van mijn eigen bewustzijn scheen mij hetzelfde als de dood. Ik had het gevoel, dat de dood heel dicht bij was, vlak voor me. Ik was niet in staat mij te bedwingen en riep luid uit: "O, wat doet Gij met mij? Weet Gij dan niet dat ik mijn ouders heb thuis?" Toen de Meester dit hoorde, lachte hij luid. En terwijl hij mijn borst aanraakte met zijn hand zei hij: "Goed, laat het hierbij blijven. Het hoeft niet alles opeens te gebeuren. Het kan op het juiste tijdstip gedaan worden." Tot mijn grote verbazing verdween dit buitengewone visioen van mij net zo plotseling als het gekomen was. Ik keerde terug tot mijn normale bewustzijn en zag de dingen binnen en buiten de kamer op hun plaats net als tevoren.

Hoewel het beschrijven hiervan enige tijd in beslag heeft genomen, gebeurde alles in feite slechts gedurende enkele ogenblikken. En toch veroorzaakte wat er gebeurd was een verandering in mijn gehele gedachtengang. Ik voelde me van mijn stuk gebracht en trachtte maar steeds te analyseren wat er gebeurd was. Ik had waargenomen hoe deze ervaring begonnen was en hoe het eindigde met een volkomen overgave aan de wil van deze buitengewone man. Ik had wel over hypnotisme in boeken gelezen en ik vroeg me af of dit iets eenders was. Maar in mijn hart was ik overtuigd dat het dat niet was. Want zelfs mensen die grote wilskracht bezitten kunnen slechts dergelijke omstandigheden scheppen wanneer zij hun krachten uitoefenen op zwakke gemoederen. En ik beschikte zeker niet over een zwak gemoed. Tot dat moment was ik in feite trots geweest op mijn intellect en wilskracht. Deze man hield mij niet in zijn ban met een toverformule en reduceerde mij niet tot een gevoelloos speeltuig. Integendeel, toen ik hem voor het eerst ontmoette was ik tot de conclusie gekomen dat hij stapelgek was. Waarom zou ik mij dan nu plotseling in deze staat bevinden? Het leek mij toe dat het een volkomen mysterie was.Maar ik besloot op mijn hoede te zijn zodat hij niet een grotere invloed in de toekomst zou kunnen uitoefenen.

Het volgende ogenblik dacht ik: "Hoe kan men iemand betitelen als zijnde stapelgek wanneer hij in staat is een vastbesloten en sterke geest als de mijne volkomen te ontredderen. En toch was dat de conclusie die men kon trekken na zijn uitbundig gedrag bij onze eerste ontmoeting tenzij hij een Inkarnatie van God was hetgeen lang niet het geval was. En dus was ik in twijfel omtrent de ware aard van mijn ervaring en omtrent de waarheid betreffende die wonderbaarlijke man die blijkbaar zo zuiver en onbevangen als een kind was. Mijn rationalistisch gemoed had een zware slag te verduren door in gebreke te zijn gebleven de dingen in hun juiste perspectief te beoordelen. Maar ik was besloten het mysterie op de een of andere wijze te doorgronden.

Gedurende de hele dag was mijn geest in beslag genomen met dergelijke overwegingen. Maar na het gebeurde veranderde hij en werd een heel ander mens en evenals bij de eerste gelegenheid behandelde hij mij met de meeste voorkomendheid en vriendelijkheid. Zijn gedrag jegens mij was zoals het weerzien tusen een man en een oude vriend of familielid na een lange scheiding. Hij kon niet genoeg doen om mij als gast welkom te heten en mij zorgvuldige attenties te bewij­zen. Deze opmerkelijk liefdevolle behandeling deed mij nog meer aangetrokken tot hem te voelen. Ten slotte, toen de dag ten einde liep vroeg ik vergunning te mogen vertrekken. Hij leek erg teleurgesteld toen ik dit zei en hij stemde pas erin toe nadat ik beloofd had zo gauw het mij mogelijk was weer terug te komen.

Ervaring van Cosmisch Bewustzijn

Aangezien Sri Ramakrishna zich bewust was van Naren's ware aard gaf hij hem instrukties betreffende monistisch vedanta, hetgeen verklaart, dat de individuele ziel en Brahman identiek zijn. Op een dag sprak Naren met Hazra over Vedanta nondualisme en zijn onwillendheid het te aksepteren. Hij zei: "Is het mogelijk dat de waterpot God is en de kan met drink water God is en dat alles wat we ontwaren en wij allen God zijn?" Naren begon spottend te lachen bij dit idee en Hazra stemde er mee in. Terwijl ze lachten kwam Ramakrishna bij hen. Waar hebben jullie het met z'n tweeën over?" vroeg hij Naren op liefdevolle toon en toen zonder op een antwoord te wachten, raakte hij Naren aan en toen verkeerde hij in samadhi. Hier volgt Naren's beschrijving van het effect die de aanraking had op hem.

Bij de wonderbaarlijke aanraking van de Meester onderging mijn geest een algehele verandering. Ik was buiten mijzelf toen ik mij ervan bewust werd dat er inderdaad helemaal niets in het gehele heelal bestond behalve God. Ik bleef zwijgen en vroeg me af hoe lang deze geestesgesteldheid zou duren. Het bleef de hele dag doorgaan. Ik ging naar huis en daar bevond ik mij in dezelfde stemming: alles wat ik aanschouwde was God. Ik ging zitten om te eten en ik zag dat alles - het bord, het voedsel, mijn moeder, die me mijn eten gaf en ikzelf - dat alles vervuld was van God en alleen maar God. Ik nam een paar happen van de maaltijd en dan zat ik weer stil zonder een woord te spreken. Mijn moeder vroeg op liefdevolle toon: "Waarom ben je zo stil? Waarom eet je niet?" Dat bracht mijn geest weer tot het normale bewustzijn en ik begon weer te eten. Maar vanaf dat ogenblik had ik steeds weer dezelfde ervaring ongeacht wat ik ook deed - eten, drinken, zitten, liggen, naar de universiteit gaan, op straat lopen. Het was een soort roes. Ik kan het nauwelijks beschrijven. Wanneer ik de weg wilde oversteken en er een voertuig op mij afkwam had ik helemaal niet de neiging zoals normalerwijze om opzij te gaan omdat ik anders overreden zou worden. Want ik zei bij mezelf: "Ik ben dat voertuig. Er bestaat geen verschil tussen dat en mijzelf." Gedurende die periode had ik geen gevoel in mijn handen of voeten. Wanneer ik voedsel tot mij nam had ik niet het gevoel verzadigd te zijn. Het was net alsof iemand anders aan het eten was. Soms ging ik tijdens de maaltijd liggen en na een paar minuten stond ik weer op en dan ging ik door met eten. En op die manier at ik dan op die dagen veel meer dan gewoonlijk en ik had er geen last van. Mijn moeder begon bezorgd te worden. Ze dacht dat ik aan de een of andere vreselijke ziekte leed. "Hij zal wel niet lang leven", zei ze dan. Toen die eerste roes wat minder sterk werd begon ik de wereld te zien als het ware in een droomtoestand. Wanneer ik een eindje ging lopen op Cornwallis Square (nu Azadhind Bag), dan ging ik mijn hoofd tegen de ijzeren railing stoten om te zien of die er werkelijk was of dat ik alles in een droom zag. Over de gevoellozigheid in mijn handen en voeten maakte ik mij bezorgd en ik was bang dat ik verlamd werd. Toen ik ten slotte weer tot het normale bewustzijn terugkeerde was ik overtuigd dat de toestand waarin ik mij had bevonden een openbaring was geweest van een non-dualistische ervaring. En dus wist ik toen dat wat er geschreven staat in de Geschriften betreffende deze ervaring op waarheid berust.

Dagen van Ecstase in Dakshineswar

Het is onmogelijk anderen enig idee te geven van de onuitsprekelijke vreugde die wij ondervonden in de aanwezigheid van de Meester. Wij kunnen het gewoonweg niet vatten hoe hij ons kon trainen zonder dat wij er ons van bewust waren doormiddelvan pret en spel en op die manier onze spirituele ontwikkeling vorm kon geven. Net zoals de meester-worstelaar met de grootste omzichtigheid te werk gaat met een beginner - nu eens hem overweldigend in de strijd met grote inspanning als het ware - en dan weer zelf accepterend te worden verslagen om het zelf-bewustzijn van de leerling te versterken - op eendere wijze ging Sri Ramakrishna met ons te werk. In het bewustzijn dat de Atman (het Zelf) de bron van eindeloze kracht in iedere persoon aanwezig is, ook al is het een dwerg, was hij in staat de potentiele reus in iedereen te zien. Hij was in staat duidelijk waar te nemen de latente spirituele kracht die zich op de juiste tijd zou manifesteren. Terwijl hij ons dat verlokkende beeld voor ogen hield sprak hij aanmoedigende woorden tot ons en prees ons. Tezelfdertijd waarschuwde hij ons steeds dat wij deze vervulling van later niet moesten riskeren door verstrikt te geraken in wereldse verlangens en bovendien hield hij ons in een vaste greep door zorgvuldig zelfs de kleinste details van ons dagelijks leven te observeren. Dit alles werd in stilte en zonder ophef gedaan. Dit was het geheim van zijn training van de discipelen en van het vormen van hun leven.

Ik had eens moeite me diep te concentreren gedurende mijn meditatie. Ik vertelde het hem en verzocht hem mij advies en directie te geven. Hij vertelde mij zijn persoonlijke ervaringen op dat gebied en gaf mij aanwijzingen. Ik herinner me dat wanneer ik ging zitten om te mediteren gedurende de vroege ochtenduren mijn geest in de war werd gebracht en afgeleid door het schelle geluid van de fluit van de nabije jutemolen. Ik vertelde het hem en hij raadde mij aan miijn geest te concentreren op het geluid van de fluit zelf. Ik volgde zijn raad op en vond er veel baat bij.

Bij een andere gelegenheid had ik moeilijkheden het bewustzijn van mijn eigen lichaam te overkomen en om mijn geest volkomen op het ideaal te vestigen. Ik ging naar hem toe en vroeg om raad en hij gaf precies eendere instrukties die hij zelf had gekregen van Tota Puri (zijn goeroe) toen hij samadhi beoefende volgens de disciplines van Vedanta. Hij groef zijn vingernagels diep tussen mijn wenkbrouwen en zei: "Nu concentreer je geest op die pijnlijke plek!" Ik bemerkte dat ik mij makkelijk op die gevoelige plek kon concentreren net zolang als ik wilde en gedurende dat tijdsbestek kon ik het bewustzijn van de andere delen van mijn lichaam volkomen laten varen laat staan dat ze mij enige afleiding veroorzaakten en mijn meditatie verstoorden. De afgezonderdheid van de Panchavati dat verbonden is met de verschillende spirituele realisaties van de Meester was ook een uiterst geschikte plaats voor onze meditatie.

Behalve mediteren en het doen van spirituele oefeningen brachten we heel wat tijd door met louter plezier en pret maken. Sri Ramakrishna nam er ook aan deel en door erbij te zijn betrokken verhoogde hij ons plezier. "Wij deden aan hardlopen en huppelen, klommen in bomen, lieten ons heen en weer schommelen vanaf de slingerplanten en soms hielden we een leuke picnic. De eerste keer toen we een picnic hielden bemerkte hij dat ikzelf het voedsel had toebereid en hij nam er zelf wat van. Ik wist dat hij alleen maar voedsel nam dat gekookt was door Brahmanen en daarom had ik maatregelen getroffen voor zijn maaltijd in de Kali tempel. Maar hij zei: "Het zal geen nadelige gevolgen hebben als ik voedsel accepteer van zo'n zuivere ziel als jij." Ondanks mijn tegenwerpingen smaakte hem het voedsel dat ik die dag gekookt had heel goed.

"Ramakrishna Wijdde Mij"

In het begin van 1884 stierf Naren's vader aan een hartverlaming. Hij was al enige tijd ziek geweest. Toen de financien van Vishwanath geinspecteerd werden, werd vastgesteld dat hij boven zijn stand en middelen had geleefd en niets dan schulden had achtergelaten. Enkele familieleden trachtten zelfs een deel te bemachtigen van het ouderlijk huis door een ge-rechtsgeding aanhangig te maken. Dat gelukte toen niet, maar Naren moest wel zijn plicht vervullen als oudste mannelijk lid van de familie en moest voorzien in het onderhoud van zijn moeder en broeders. Hij had nooit tevoren dergelijke moeilijkheden te trotseren gehad. Hier volgt in zijn woorden het relaas van zijn moeilijkheden. Zelfs voordat de voorgeschreven rouwperiode afgelopen was, was ik overal aan het zoeken naar een baan. Terwijl ik duizelig was van honger liep ik blootvoets in de brandende zon van het ene kantoor naar het andere met de sollicitatiepapieren in de hand. Overal werd ik afgewezen. Ik deed de ervaring op na de eerste pogingen dat onzelfzuchtige sympathie heel zelden voorkomt in deze wereld: er is geen plaats voor de armen of de zwakken. Zelfs diegenen die slechts enkele weken geleden zich gelukkig hadden geacht indien zij mij een gunst hadden kunnen bewijzen, keken me nu aan met een terughoudende uitdrukking op hun gelaat alhoewel ze mij wel hadden kunnen helpen indien ze dat wilden. Op een dag toen ik weer rondliep onder de hete zonnestralen kreeg ik blaren aan mijn voeten. Ik was volkomen uitgeput en moest wel gaan zitten in de schaduw van het Ochterloney Monument op de Maidan. Een vriend die me vergezelde wilde mij opbeuren en zong: "Hier waait de wind, de adem van Brahman - Zijn zegen ervaren wij.

Maar toen ik dat lied hoorde voelde ik me alsof hij me op mijn hoofd sloeg. Ik dacht aan de hulpeloosheid van mijn moeder en broeders en ik was vervuld van wrok en wanhoop. Ik riep: "Houd je stil! Die onzin is goed voor hen die in luxe leven - mensen, die er geen idee van hebben wat honger is - mensen wier dierbare naasten niet in lompen gehuld gaan en honger lijden. Waarschijnlijk klinken die woorden hen als lieflijke waarheid in de oren - net als mij vroeger. Maar nu heb ik gezien hoe het leven er in werkelijkheid uitziet: dat lied is gewoonweg een grote leugen."

Ik ben bang dat ik mijn vriend met die woorden diep kwetste. Hoe kon ik hem aan het verstand brengen dat ik gedwongen was door knarsende armoede om die te uiten. Soms ontdekte ik wanneer ik 's morgens opstond dat er niet genoeg voedsel in huis was voor ons allen en dan zei ik tegen mijn moeder: "Een vriend heeft me te eten gevraagd." Op zulke dagen had ik niets te eten want ik had geen geld op zak. Ik was te trots om er iets van te zeggen tegen wie dan ook. Soms werd ik uitgnodigd door rijkelui in hun huis om daar te zingen en muziek te maken op hun feestjes en dan ging ik er ook heen net als ik dat voorheen had gedaan. De meesten bekommerden zich er niet over hoe ik me redde. Enkelen vroegen me: "Waarom zie je er zo bleek en somber uit vandaag?" Maar slechts één van hen ontdekte het - maar niet door mijzelf - hoe de stand van zaken werkelijk was. Hij stuurde af en toe wat geld aan mijn moeder zonder zijn naam te noemen. Ik ben hem eeuwig schuldig daarvoor. Ondanks al die beproevingen en al die tegenspoed verloor ik mijn vertrouwen in het bestaan van God niet en evenmin twijfelde ik eraan dat "God is Goed." Telkens als ik wakker werd 's morgens vroeg, richtte ik een gebed tot God en dan stond ik op - terwijl ik God's naam herhaalde. Daarna ging ik vastbesloten en vol hoop op weg om op de een of andere wijze wat geld te verdienen.

Ik stond op een dag op en zoals ik dat gewend was deed ik mijn gebed toen mijn moeder het hoorde in de aangrenzende kamer. Ze zei op verbitterde toon: "Houd op jongen. Je hebt ononderbroken de naam van de Heer herhaald sedert je jeugd en wat heb je er mee bereikt? Wat heeft Hij voor je gedaan? " Door die woorden voelde ik mij erg gekrenkt. In mijn binnenste getroffen dacht ik: " Bestaat God eigenlijk wel? En zo ja, hoort Hij dan wel het klaaglijke gebed van een sterveling? Waarom krijg ik dan geen antwoord op al mijn gebeden die tot hem gericht zijn? Waar komt zoveel kwaads vandaan in de schepping van de welwillende Schepper? Waarom is er zoveel ellende in het koninkrijk van Hem die louter Zaligheid is?" Mijn hart was doorwond met een-gevoel van gekwetste liefde en ik was bevangen door een gevoel van twijfel in het bestaan van God. Het is nooit mijn natuur geweest om iets te doen en te trachten het heimelijk te doen. Zelfs als kind was ik nooit in staat ook maar het geringste van mijn gedachten of daden te verbergen hetzij uit vrees of om een andere reden. En het was dus niet te verwonderen dat ik nu overal op aggressieve toon begon rond te verklaren aan wie het wilde horen dat God niet bestond en zelfs als Hij wel bestond dan was het overbodig om Hem aan te roepen aangezien men toch geen resultaat kon verwachten. Natuurlijk deed het gerucht gauw de ronde dat ik een atheist was geworden en bovendien dat ik omging met mensen van twijfelachtig karakter en verdachte huizen bezocht.

Dat soort nieuwtje spreidt heel gauw en al gauw kwamen die geruchten alhoewel volkomen verdraaid de Meester ter ore en vanzelfsprekend. ook bij de volgelingen in Calcutta. Sommigen van hen zochten mij op om te zien of het op waarheid berustte en ze lieten doorschemeren dat ze tenminste wel een gedeelte ervan geloofden zo niet het hele gerucht. Ik voelde me diep gekrenkt dat ze een dergelijke mening van mij hadden. Ik zei tegen hen dat het lafheid was om in God te geloven alleen maar uit angst voor de hel. Terwijl ik Hume, Mill, Bain, Comte en andere westerse philosofen aanhaalde betoogde ik met vuur dat er geen bewijs is van het bestaan van God. En dan gingen ze weg meer dan ooit ervan overtuigd zoals ik later ervoer dat ik gedoemd was. In de uitdagende stemming waarin ik mij bevond vond ik dat juist fijn.

Toen kwam de gedachte bij me op dat misschien zelfs de Meester eveneens aan die geruchten geloof hechtte. Zodra ik dat dacht voelde ik een ondraaglijke pijn. Maar ik zei bij mezelf: "Laat hij het maar geloven; als dat het geval is kan ik er niets aan doen. De goede of slechte opinies van de mensen zijn me nu geen krats meer waard." Later ontdekte ik dat de Meester al die leugens over mij inderdaad had gehoord had. Eerst zei hij niets. En daarna toen èèn der volgelingen weenend zei: "Heer, we hadden nooit kunnen dromen dat Naren zo laag zou zinken."riep de Meester opgewonden uit: "Houd je mond schurken! Moeder heeft mij meegedeeld, dat hij nooit iets dergelijks zou kunnen doen. Als je zo doorgaat met dergelijke praatjes, kun je deze kamer verlaten!"

Nu werd ik volkomen onverschillig wat betreft lof of blaam van de wereld. Ik was er vast van overtuigd dat ik niet geboren was om geld te verdienen en een familie te onderhouden of om wereldse geneuchten te genieten. Heimelijk bereidde ik me voor op het renuncieren van werelds leven. De dag brak aan waarop ik besloten was het leven van. Een zwervend monnik te beginnen en toen vernam ik dat diezelfde dag de Meester van plan was een volgeling te bezoeken in Calcutta. Ik dacht dat dat goed uitkwam: ik kon mijn goeroe nog spreken voordat ik mijn huis voorgoed vaarwel zou zeggen. Maar zodra de Meester mij zag beval hij mij op gebiedende toon: "Je moet vandaag met mij meegaan naar Dakshineswar." Ik bedacht allerlei uitvluchtjes maar hij was niet te bewegen mijn weigering te aanvaarden. Ik moest met hem meerijden terug naar Dakshineswar. Gedurende de rit spraken we nauwelijks. Toen we in Dakshineswar aankwamen bleef ik een poosje in zijn kamer zitten waar ook anderen aanwezig waren.Toen verkeerde de Meester opeens in ecstase. Hij kwam op mij toe en terwijl hij mij bij de hand beetpakte begon hij te zingen terwijl de tranen over zijn wangen rolden:

"Wij zijn bang iets te zeggen en tezelfdertijd zijn we bang ons stil te houden;

in ons hart, O, Radha, geloven we bijna dat we jou gaan verliezen!"

Gedurende al die tijd had ik moeite mijn gevoelens in bedwang te houden. Maar nu kon ik mij niet langer bedwingen en de tranen welden op net als bij hem. Ik was ervan overtuigd, dat de Meester alles wist van mijn plannen. De anderen waren verbaasd toen ze zagen hoe we ons gedroegen. Nadat de Meester weer tot zijn normale bewustzijn was teruggekeerd vroeg een der aanwezigen wat er gebeurd was. Hij glimlachte en antwoordde: "Dat is iets wat slechts ons beiden aangaat." Die avond stuurde hij de anderen weg en hij riep mij bij zich en zei: "Ik weet dat je op de wereld bent gekomen om Moeder's werk te verrichten. Jij zult nooit een werelds leven kunnen leiden. Maar terwille van mij blijf bij je familie zolang ik leef."

Ik nam de volgende morgen afscheid van de Meester en keerde huiswaarts. En meteen was ik overstelpt door honderden zorgen betreffende mijn familie die beslag van mij namen. Ik bleef net als tevoren de ronde doen en deed allerlei pogingen om werk te vinden. Ik werkte op het kantoor van een advokaat en vertaalde enkele boeken met het gevolg dat ik wat geld verdiende en de huishouding gaande kon houden. Maar dat waren allemaal tijdelijke baantjes en vanwege het ontbreken van enig blijvend werk konden geen maatregelen getroffen worden voor het onderhoud van mijn moeder en broeders. Wat later herinnerde ik mij dat God vervult de gebeden van de Meester. Ik zal hem vragen voor mij gebeden te doen om het noodlijden door gebrek aan voedsel en kleding van mijn moeder en broers te verlichten. Dat zal hij vast en zeker wel voor mij willen doen.

Ik ging haastig op weg naar Dakshineswar en vroeg hem dringend tot de Moeder een gebed te richten om mijn moeder en broeders uit hun geldnood te helpen. De Meester zei op liefdevolle toon: "Mijn kind ik kan dergelijke woorden niet uiten dat weet je wel. Waarom doe jij zelf dat gebed niet? Jij accepteert de Moeder niet. Daarom voel je je zo ongelukkig." Ik antwoordde:"lk ken de Moeder niet.Wilt U alstublieft tot de Moeder bidden ter wille van mij. Dat moet U doen. Ik ga niet weg voordat U tot de Moeder een gebed gericht hebt. "De Meester zei liefdevol:"lk heb inderdaad al herhaaldelijk tot de Moeder gebeden en gevraagd jouw moeilijkheden te verlichten. Maar aangezien jij Moeder niet wilt accepteren beantwoord zij het gebed niet. Kijk, vandaag is het dinsdag en die dag is speciaal gewijd aan de Moeder. De Moeder zal je geven wat je wilt. Ga nu meteen naar de Tempel en buig neer en smeek haar je een wens te vervullen. Mijn beminde Moeder belichaamt de Macht van Brahman. Zij is louter Bewustzijn belichaamd. Zij heeft het hele heelal voortgebracht uit haar eigen wil. Wat kan zij niet doen op aarde indien Zij dit wil?! Ik had opeens het volste vertrouwen dat aan al het lijden een einde zou komen zodra ik tot de Moeder een gebed kon richten aangezien de Meester mij dit verzekerd had. Ik zat vol ongeduld te wachten tot het avond werd. Eindelijk viel de duisternis in. Drie uren gingen voorbij en toen verzocht de Meester mij naar het heiligdom in de Tempel te gaan.Toen ik er naar toe liep, werd ik bevangen door een soort diepe dronkenschap.Ik kon nauwelijks recht lopen. Ik was ervan overtuigd dat ik werkelijk de Moeder zou aanschouwen en haar woorden zou horen.

Ik vergat alles en was slechts bezeten van die ene gedachte. Toen ik de tempel binnenging bemerkte ik dat de Moeder inderdaad zuiver Bewustzijn was en dat zij werkelijk levend was en de bron van eindeloze liefde en schoonheid. Een gevoel van diepe aanbidding welde in mijn hart op en buiten mezelf van gelukzaligheid bracht ik herhaaldelijk eerbetuigingen uit tot haar en bad: "Moeder, geef mij onderscheidingsvermogen geef mij onthechting geef mij goddelijke wijsheid en toewijding. Moge Gij verordineren dat ik altijd een onbelemmerde visie van U mag hebben." Mijn hart was vervuld van vredige gevoelens. Het gehele heelal verdween volkomen en alleen Moeder was er mijn hart vervullend.

Ik was nauwelijks terug bij de Meester of hij vroeg: "Heb je tot Moeder een gebed gericht om al je wereldse ontberingen te verwijderen?" Ik schrok van die vraag en zei:"Nee, Meester, ik heb helemaal vergeten dat te doen. Wat moet ik nu doen?" Hij zei: "Ga gauw weer er heen en bid tot haar. " Ik ging weer op weg naar de tempel en zodra ik mij in de aanwezigheid van de Moeder bevond voelde ik me weer dronken van gelukzaligheid. Ik vergat alles en boog herhaaldelijk voor haar neer en bad om goddelijke wijsheid en toewijding voordat ik terugkeerde. De Meester glimlachte en zei: "Heb je Haar deze keer erom gevraagd?" Ik schrok weer en zei."Neen, Meester. Ik had nauwelijks de Moeder ontwaard of ik vergat alles ten gevolge van haar invloed en een onbeschrijflijke Goddelijke Macht en ik vroeg slechts om wijsheid en toewijding. Wat moet ik nu doen?" De Meester zei: "Domme jongen, kun je je niet wat beheersen en je gebed uiten? Ga nog eens en als je kunt spreek die woorden tot haar. Gauw!" Ik ging voor de derde keer maar zodra ik de tempel binnenging had ik een diep gevoel van schaamte in mijn binnenste. Ik dacht bij mezelf wat heb ik toch om een onbelangrijk iets gevraagd aan Moeder! Het is zoals de Meester zegt net alsof ik gek genoeg ben om een koning, nadat ik zijn gunst heb ontvangen, om kalebassen en pompoenen te vragen. O, wat ben ik een stommeling! Diep beschaamd en vol zelfverachting boog ik herhaaldelijk terneer voor haar en zei: "Ik verlang verder niets, Moeder. Geef mij slechts goddelijke wijsheid en toewijding." Toen ik de tempel verliet kwam de gedachte bij mij op dat het zeker een grap van de Meester was geweest. Hoe was het anders mogelijk dat ik die woorden niet kon uiten hoewel ik drie maal bij haar was geweest om een gebed te doen? Naderhand drong ik er op aan dat hij mij zou verzekeren dat mijn moeder en broeders niet meer gebrek aan voedsel en kleding hoefden te lijden en ik zei: "Gij bent het zeker geweest die mij in die staat van bedwelming hebt gebracht op die wijze. "Hij zei op liefdevolle toon: "Mijn kind ik kan een dergelijk gebed voor niemand uiten. Het komt gewoonweg niet uit mijn mond. Jij zult zoals ik al zei van Moeder krijgen wat je wilt. Maar je was niet in staat haar er om te vragen. Je bent niet voorbestemd voor werelds geluk. Wat kan ik er aan doen?" Ik zei: "lk neem daar geen genoegen mee, Meester. Gij moet het gebed terwille van mij doen. Ik ben er vast van overtuigd dat zij van hun lijden bevrijd zullen zijn wanneer Gij dit slechts wilt verklaren." Aangezien ik bleef aandringen zei hij: "Goed, het zal hen nooit aan eenvoudig voedsel en kledij ontbreken."

* * *

Ramakrishna wijdde mij aan Haar (De Goddelijke Moeder). En ik ben overtuigd dat Zij mij leiding geeft tot in de kleinste handeling en Zij doet met mij wat Zij maar wil. En ik heb er zo lang tegen gevochten. Ik hield van de man (Sri Ramakrishna) en dat was mijn behoud.Ik dacht dat hij de zuiverste ziel was die ik ooit had gekend en ik weet dat hij van mij hield met een liefde zoals mijn eigen vader en moeder niet in staat waren te geven.

Ervaring van Nirvikalpa Samadhi

Op een dag in de Cossipore tuin verzocht ik Sri Ramakrishna dringend mij Nirvikalpa Samadhi te doen ervaren. Toen 'savonds, gedurende de meditatie periode. verloor ik volledig het bewustzijn van mijn lichaam en ik had het gevoel alsof het niet meer bestond. Ik had het gevoel dat de zon, maan, ruimte, tijd en ether alles gereduceerd was tot een homogene massa en daarna verdween het alles in het onbekende. Lichaamsbewustzijn verdween bijna geheel en ik ging bijna volkomen op in het allerhoogste. Maar ik had nog net een spoor van gevoel van ego zodat ik weer terug kon keren van samadhi in de wereld van relativiteit. In dat bewustzijn van samadhi verdwijnt al het verschil tussen "ik" en "Brahman." Alles is gereduceerd tot een eenheid net als water van de eindeloze Oceaan - overal water, verder bestaat er niets. Daar ontbreken woorden en gedachten. Daar heerst slechts de staat "voorbij gedachte en woord" gerealizeerd in aktualiteit. Maar zolang de aspirant van religie denkt of zegt: "Ik ben Brahman," "Ik" en "Brahman," blijven deze twee eenheden bestaan - zolang blijft de betrekkelijke schijn van dualiteit. Na die ervaring lukte het mij niet ook al deed ik herhaaldelijk een poging om die toestand van samadhi weer te bereiken. Toen ik er met Sri Ramakrishna over sprak, zei hij: "Als je dag en nacht in die toestand verblijft kan het werk van de Goddelijke Moeder niet verricht worden. Daarom zul je tevergeefs trachten die staat van bewustzijn weer te bereiken. Wanneer jouw werk is gedaan zal het weer terugkomen."

Sri Ramakrishna droeg zijn spirituele Kracht over

Twee of drie dagen voordat Sri Ramakrishna overleed nam degene die hij gewoonlijk "Kali" noemde bezit van dit lichaam. Zij is het die mij hierheen en daarheen stuurt en mij aan het werk zet zonder mij rust te gunnen of mij aandacht te laten besteden aan mijn persoonlijke belangen.

Voordat hij zijn lichaam verliet riep hij mij bij zich en verzocht mij voor hem te gaan zitten en terwijl hij me lang en doordringend aankeek ging hij over in samadhi. Toen voelde ik dat een subtiele kracht net als een electrische schok in mijn lichaam doordrong. Even later verloor ik ook mijn bewustzijn van de wereld en ik bleef onbeweeglijk zitten. Ik kan me niet herinneren hoe lang ik in die toestand verbleef. Toen ik weer tot mezelf kwam zag ik dat Sri Ramakrishna tranen vergoot. Toen en ik hem vroeg wat de oorzaak was antwoordde hij op liefdevolle toon: "Heden ben ik een bedelaar geworden en heb jou al mijn bezit overhandigd. Door middel van deze krachten zul je veel werk moeten verrichten ten bate van het goede in de wereld voordat jij heen zult gaan." Ik ben me bewust dat die bepaalde macht mij voortdurend aanwijzingen geeft om dit of dat werk te doen. Dit lichaam was niet geschapen om werkeloos te blijven.

Sri Ramakrishna openbaarde Zich

Op een dag gedurende Sri Ramakrishna's verblijf in de Cossipore villa terwijl zijn einde naderde en hij het lichaam voorgoed zou opgeven zat ik bij zijn bed en zei tegen mezelf in gedachten: "lndien Gij nu kunt verklaren dat Gij God zijt dan alleen zal ik kunnen geloven dat Gij werkelijk God in eigen Persoon zijt." Dit vond plaats slechts twee dagen voor zijn dood. Hij hief onmiddellijk zijn ogen op en keek naar mij en zei: "Hij die Rama was en Hij die Krishna was is nu waarlijk Ramakrishna in dit lichaam en niet in jouw Vedantische betekenis." Hierop was ik met stomheid geslagen[2].

(Uit: Sri Ramakrishna The Great Master,door Swami .Saradananda (Madras: Sri Ramakrishna Math) vol.2,1979;Ramakrishna and His disciples,door Christopher lsherwood (London:Methuen & Co.Ltd), 1965; Life of Swami Vivekananda,door His Eastern &Western Disciples (Calcutta: Advaita Ashrama), vol.1,1979: The Complete Works of Swami Vivekananda (Mayavati advaita Ashrama),vols.Vl & VII, 1968-1969) - *2 --- volgende pagina no.: 61


[1] Laten we nog eens terug gaan, o mijn gemoed, naar ons eigen verblijf!

Hier in dit vreemde land op aarde

Waarom zouden wij doelloos zwerven verkleed als vreemden?

Deze levende wezens rondom en de vijf elementen,

Zijn vreemden voor jou, allemaal; geen enkele is van jou.

Waarom vergeet je jezelf op die manier

Verliefd op vreemde, o mijn gemoed?

Waarom vergeet je je eigen geliefden zo?

Klim omhoog op het pad van waarheid, o gemoed! Ononderbroken klim,

Met liefde als lamp om je de weg te wijzen.

Als provisie voor de tocht, mee mee de deugden

Zorgvuldig verborgen; want net als twee rovers,

Wachten hebzucht en ontgoocheling om je te beroven van je rijkdom.

En houd voortdurend bij je, als wachters om je te beschermen tegen schade,

Kalmte van geest en zelf-beheersing.

Vriendschap met heilige personen zal voor jou

Een welkome rustplaats zijn langs de weg;

Daar mag je je moede gelederen een poosje laten uitrusten

Terwijl je de weg vraagt; wanneer je ooit mocht twijfelen

Over hem, die daar de wacht houdt.

Indien iets langs je pad je vrees aan mocht jagen

Dan moet je luidkeels de naam van de Heer roepen;

Want Hij is de Beheerder van die weg

En zelfs de Dood moet zich voor Hem buigen.

[2] Het is aangewezen om hier met een paar woorden melding te maken van de betekenis van een Incarnatie in de Hindoe religieuze traditie. Een van de voornaamste doctrines van Vedanta is de onsterfelijkheid van de ziel. Iedere ziel is in werkelijkheid Brahman. Het kan dus aangenomen worden dat er geen verschil bestaat tussen een Incarnatie en een gewone man. In feite vanuit het standpunt van het Absolute of Brahman bestaat er geen dergelijk verschil. Maar vanuit het relatieve standpunt bezien waar multipliciteit is ontwaard moet men erkennen dat er een verschil bestaat. Mensen in hun menselijke gedaante kunnen goddelijke gelijkenis vertonen in varierende mate. In een Incarnatie is deze godgelijkenis volledig aanwezig. Daarom is een Incarnatie niet eender als een gewone sterveling of zelfs een verlicht heilige.

Hier volgt een voorbeeld. Er is geen verschil tussen een leeuw gemaakt van klei en een muis uit klei van het standpunt van de klei. Beide voorwerpen worden dezelfde substantie wanneer hun vorm opgelost wordt in klei. Maar in de vorm van leeuw en muis is het verschil duidelijk zichtbaar. Op eendere wijze is een gewoon sterveling als Brahman identiek met een Incarnatie. Beiden verenigen zich en worden hetzelfde Brahman wanneer zij uiteindelijk verlichting bereiken. Maar terwijl zij in hun relatieve staat verkeren van naam en vorm hetgeen erkend wordt door Vedanta is het verschil tussen hen geaccepteerd. Volgens de Bhagavad Gita (IV-6-8) neemt Brahman in tijden van spirituele crisis de menselijke gedaante aan onder invloed van zijn eigen ondoorgrondelijke macht Maya genaamd. Alhoewel zonder geboren te zijn onwankelbaar en de heerser over alle stervelingen toch verschijnt Brahman en incarneert in een menselijk lichaam ter bescherming van de goede mensen en het kastijden van de slechten.

Sunday, March 22, 2009

Chapter 2: Sri Sarada Devi

SARADA DEVI

Sri Sarada Devi (1853 – 1920) die ook de Heilige Moeder werd.

Genoemd was de spirituele echtgenote van Sri Ramakrishna. Ze was op zeer jeugdige leeftijd in de echt met Hem verbonden en toen ze achttien jaar was, kwam ze aan in de tempeltuin van Dakshineswar

Om aan zijn zijde te zijn en hem te dienen. Vanwege haar langdurige en intieme omgang met de Meester zijn haar herinneringen bijzonder waardevol. Na zijn overlijden ging ze voort met de spirituele leiding waarmee hij begonnen was.


De Bron

De Meester zei altijd dat zijn lichaam uit Gaya was gekomen. Toen zijn Moeder overleed, verzocht hij mij “pindam” (cake voor rouw­betuiging) te offeren in Gaya. Ik antwoordde dat het mij niet ver­oorloofd was die ritus te verrichten, zo lang als haar eigen zoon nog in leven was. De Meester antwoordde: “Nee, nee, het is je wel veroorloofd om dat te doen. Er kan geen sprake van zijndat ik naar Gaya zou gaan. Als ik zou gaan, denk je dan, dat ik terug zou keren?” En dus liet ik hem er niet heen gaan. En wat later verrichtte ik de ritus in Gaya.

Volgens de traditie had Sri Ramakrishna’s vader voor de geboorte van Ramakrishna een visioen in Gaya van Vishnu die hem meedeelde dat hij als zijn zoon geboren zou worden. Vandaar dat de spirituele associatie die Ramakrishna met Gaya had hem waarschijnlijk zou hebben overmand, indien hij er heen was gegaan. Gaya is ook geassocieerd met de Buddha en Chaitanya als zijnde een keerpunt in hun leven.

KOKEN VOOR DE MEESTER

Op een goede dag. nuttigden de Meester en hriday (itaiitakrisina's neef) samen hun maaltijd. Lakshmi's moeder en ik kookten toen in hamarpukur. Zij kookte erg lekker. De Meester proefde iets van wat zij gekookt had en zei: "hridt4 de persoon, die dit toebereid heeft is een specialist." Daarna proefde hij iets, dat ik had gekookt en zei, "En deze persoon is een kwakzalver.' Waarop hriday antwoordde, "Dat is waar, maar de kwak is vlak bij en je hoeft haar waar te roe-pen, Terwijl de specialist erg duur is en niet steeds beschikbaar.

e kwak staat voortdurend voor U klaar!' De Meester antwoordde: "Ja, dat is waar, ze is voortdurend aanwezig."

Op zekere dag verzocht de leester mij iets lekkers voor waren te koken. Ik bereidde moong dal( een soort linzensoep) en chapatis (ongezuurd brood). Na de maaltijd vroeg hij Naren: "hoe vond je het?"

Naren antwoordde: “Het was wel lekker, maar het was goed voor een zieke.” Daarop zei de Meester tegen mij: “Wat heb je voor hem ge-kookt? Een volgende keer moet je gort chanadal en dikke chapatis voor hem maken.” Dat deed ik ook en Naren at het met plezier op en vond het erg lekker.

DE MEESTER EEN PERFECTIONIST

Toen de Meester weer in Kamarpukur verbleef en aan indigestie leed was ik pas een kind-vrouwtje.Hij stond op als het buiten nog donker was en dan zei hij tegen mij: “Bereid dit of dat gerecht voor mij voor morgen” en dan bereidden we dat toe voor hem. Op zekere dag hadden we een bepaalde specerij niet in huis en Lakshmi's moeder (Sri Ramakrishna's schoonzuster) zei: “Nou, dan maak het maar zonder die kruiden; aangezien we die niet in huis hebben, moet het gerecht maar zonder dat worden toebereid, er is niets aan te doen.” De Meester was net aanwezig en hoorde het gesprek en hij zei: “Wat zeg je? Als je die kruiden niet in huis hebt, waarom stuur je niet iemand naar het dorp om die voor een stuiver te kopen? Men moet niet de dingen, die noodwendig zijn voor een recept eruit laten. “Wist je wel, dat ik de heerlijke maaltijden en de lekkere zure room van Dakshineswar vaarwel heb gezegd en hier ben gekomen alleen maar om die specia­le smaak van jullie curries te proeven? En nu durf je die kruiden er gewoon uit laten!” Lakshmi's moeder was beschaamd en ze stuurde meteen een kind naar hut dorp om ze te kopen.

EEN IDEALE ECHTGENOOT

De Meester sprak over mij als volgt: “Haar naam is Sarada. Zij is. Saraswati (de Godin van de wijsheid).Vandaar dat ze zich graag optooit." Hij zei tegen Hriday: “Ga eens kijken hoeveel geld je in je spaarpot hebt. Laat een paar mooie armbanden voor haar maken”. De Meester was toen ziek en ondanks zijn ziekte liet hij die armringen voor mij maken die 300 roepies kostten in die dagen. Maar hij zelf raakte nooit geld aan.

Mijn moeder klaagde steen en been: “Ik heb mijn Sarada met zo'n dwaas van een man laten trouwen met wie ze niet eens een normaal huwelijksleven kan leiden en geen kinderen kan hebben die moeder tegen haar zeggen.” Op zekere dag hoorde de Meester wat ze zei en hij merkte op: “ Wees niet bezorgd Moeder, Uw dochter zal zoveel

kinderen krijgen, dat haar oren zullen tuiten bij het geroep van: “Moeder.” En hij kreeg gelijk. Alles wat hij voorspelde, gebeurt nu.

De Meester had slechts belangstelling voor God. Toen ik hem vroeg wat ik moest doen met de saris en de oorschelpjes en andere dingen waarmee hij tijdens de verering míj had getooid, toen hij de Shodashi Puja2/verrichtte, antwoordde hij na even nagedacht te hebben: “Weet je, je kunt ze aan je eigen moeder geven" - mijn vader leefde toen nog, "maar pas op, wanneer je een geschenk geeft, moet je haar niet beschouwen als je eigen moeder, maar als de Moeder van het Heelal.”En dat deed ik ook. Op die wijze gaf hij ons lering.

De Manieren van de Meester en Zijn Zorgzaamheid

De manier waarop de Meester mij behandelde was zo lief en attent! Hij sprak nooit een woord waarmee hij mij kon kwetsen. Op zekere dag bracht ik zijn maaltijd naar zijn kamer en aangezien hij dacht dat

Lakshmi(zijn nicht) binnenkwam, zei hij:"Doe de deur dicht als je -weggaat," terwijl hij me tutoyeerde en “tui”3 zei. Ik zei: "Goed". Toen hij mijn stem hoorde, schrok hij en riep uit: "O, gij zijt het! Ik dacht dat het Lakshmi was. Neem me niet kwalijk". Ik antwoordde: "Het doet er niet toe!" Hij was nooit onbeleefd en respecteerde mij en was bezorgd over mijn welzijn.

Op zekere dag bracht hij mij een paar strengen jute en zei: “Kunt Ge hiervan hangers voor mij maken. Ik wil wat zoetigheden en luchis (geroosterd brood) voor de jongens erin bewaren.” Ik maakte de hangers voor hem en de rest van de vezels gebruikte ik als vulling voor kussens. Ik spreidde een matje over een zak en gebruikte dat jute kussen als hoofdkussen als ik ging slapen. Ik sliep net zo lekker toen als nu op al die mooie matrassen en kussens. Ik vind er geen verschil in.

[ 2/ Dit slaat op de gelegenheid, waarbij de Meester de Heilige Moeder aanbad als een manifestatie van de Goddelijke Moeder.

3/ In het Bengaals zijn er drie vormen in het persoonlijk voornaam-woord. Als men een eerbiedwaardige oudere persoon aanspreekt wordt “apani” gebruikt. Tegen iemand van dezelfde afkomst en leeftijd, zegt men “tumi”.

Maar de familiare vorm van “tui” wordt slechts gebruikt wanneer men tot jongeren of bedienden spreekt. En het zou dus een gebrek aan respect van de Meester geweest zijn als hij met opzet zo tot de Heilige Moeder had gesproken. ]

Sri Ramakrisana’s Kinderlijke Aard.



Toen de Meester in Dakhineswar vertoefde waren Rakhal(Swami Brahmananda) en andere volgelingen nog jong. Op zekere dag kwam Rakhal zich bij de Meester beklagen en zei, dat hij erge honger had. De Meester liep naar de Ganges rivier toe en riep luid: “Gaurdasi, kom gauw! Mijn Rakhal heeft honger." In die tijd waren er geen kraam­pjes met lekkers te koop in Dakshineswar. Even later kon men een boot ontwaren stroomopwaarts op de Ganges, die bij de tempelaanlegplaats aanlegde. Balaram Básu, Gaurdasi en enkele andere volgelingen stapten uit de boot en brachten rasagollas (zoete kwarkballetjes) mee. De Meester was buiten zichzelf van vreugde en riep Rakhal en hij zei: “Kom gauw, hier heb je wat zoetigheden, je zei immers, dat je honger had.” Rakhal werd boos en zei: “Waarom roep je het van de daken, dat ik honger heb?” De Meester zei: “Wat doet het er toe? Jij hebt honger en je wilt iets eten - waarom kan ik er niets van zeggen?” De Meester had zo'n kinderlijke naive natuur.

RAKHAL’S OUDERS

De Meester zei tegen Rakhal’s vader: “Van een goede appelboom kun je alleen maar goede appels verwachten.” Op die manier trachtte hij de vader gunstig te stemmen. Wanneer Rakhal' s vader in Dakshineswar was, bood de Meester hem steeds allerlei lekkers te eten aan. De Meester was bang, dat hij de jongen mee terug naar huis zou nemen. Rakhal had een stiefmoeder. Wanneer zij in Dakshineswar kwam, dan zei de Meester tegen Rakhal: “Laat haar alles zien. Je moet erg lief tegen haar zijn, dan krijgt ze het gevoel dat haar zoon veel van haar houdt.”

VRINDA DE DIENSTBODE

Vrinda was lang geen gemakkelijk iemand om mee om te gaan. Er werd

altijd een bepaald aantal luchis(geroosterd brood voor haar bewaard voor bij de thee. Ze begon luid te klagen als die er niet waren en ze zei dan op boze toon: “Kijk eens aan, die fijne heertjes hebben mijn portie ook opgegeten; ik krijg niet eens een beetje suikergoed of wat lekkers." De Meester was bang, dat de jongens die woorden zouden horen.

Op zekere dag kwam hij ’s morgens in de nahabat (de concerttoren, waar de Heilige Moeder woonde) en zei:“Het spijt me, ik heb Vrinda’s portie luchis aan anderen gegeven. Gij kunt iets anders voor haar toebereiden anders wordt ze kwaad. Men moet niets te maken hebben met onvriendelijke mensen.” Zodra Vrinda kwam, zei ik tegen haar: “Vrinda, er is helaas niets voor jou bij de thee. Ik zal gauw wat luchis voor je toebereiden.”

Ze antwoordde: “Dat hoeft niet.U kunt me wat ongekookt voedsel geve

De Rode Bloem

Op zekere dag plukte een meisje, Asha genaamd, in Dakshineswar een prachtige rode bloem van een struik met heel donkere bladeren. Terwijl ze de bloem vasthield, weende zij en ze zei voortdurend:

“Hoe kan dat nou? Waarom heeft zo'n mooie rode bloem zulke donkere bladeren? 0 God, hoe schoon is Uw schepping!” De Meester zei, toen hij haar zag wenen: “Wat is er aan de hand? Waarom huil je?” Ze.was niet in staat een woord uit te brengen, maar bleef maar huilen,

totdat de Meester haar wat opbeurde met troostende woorden.

Een Waardering

Op zekere dag, toen ik in Dakshineswar was, maakte ik een prachtige guirlande met jasmijn en rode bloemen (rangan of ixora) van zeven rijen. Ik legde de guirlande in een stenen bak met water en de knoppen waren al gauw in volle bloei. Daarna stuurde ik de guir­lande naar de Kali tempel om er de Goddelijke Moeder mee te tooien. De juwelen werden verwijderd van Kali's beeld en ze werd met de guirlande getooid. De Meetster kwam er net aan en terwijl hij de tempel binnentrad, verkeerde hij meteen in een ecstatische stemming toen hij de schoonheid van het Kalibeeld aanschouwde, dat nog mooier leek vanwege de bloemen. Hij zei maar steeds weer: “Oh:- hoe prach­tig die bloemen afsteken tegen de donkere gelaatskleur van de Godde­lijke Moeder. Wie heeft die guirlande gemaakt?” Iemand vertelde hem dat ik die gemaakt had. Hij zei: “Laat haar gauw hier komen!"

Toen ik bij de treden aankwam, bemerkte ik dat er enkele mannelijke volgelingen bij hem waren, Balaram Babu, Suren Babu en anderen. Ik voelde me erg verlegen en wilde wegkruipen en ik ging achter de dienstmaagd Vrinda staan en ik wilde de tempel binnengaan via de achteringang. De Meester bemerkte het dadelijk en riep: “Ga niet langs die trap. Laatst ging een visvrouw die trap op en gleed uit; ze had een ongeluk en brak een been. Kom langs deze trap.” De volge­lingen hoorden die woorden en gingen opzij zodat ik de tempel binnen kon gaan. Ik zag dat de Meester aan het zingen was, terwijl zijn stem trilde van liefdevolle emotie.

Het Mededogen van de Meester

Er was een man, die er een maitresse op na hield. Op zekere dag kwam die vrouw bij de Meester en zei op berouwvolle toon: “ Die man heeft mij geruineerd. Hij heeft al mijn geld en juwelen gestolen.” De Meester wist wat er in het diepste van iemand's gemoed omging, maar hij wilde het uit hun eigen mond horen. Hij zei tegen de vrouw:

“Is dat waar? Maar hij pochte altijd tegen ons en beweerde dat hij zoveel devotie had.” Op het laatst bekende die vrouw al haar zonden en was daardoor bevrijd door de Meester van de slechte gevolgen van haar gedrag.

God en Mammon

Wat heb je nou aan geld, kindlief? De Meester kon het gewoonweg niet aanraken. Zijn hand kromp ineen als hij het toevallig aanraakte. Hij zei dan tegen Ramlal (Sri Ramakrishna’s neef): “deze wereld is een illusie. Als ik overtuigd was geweest, dat het niet zo was, dan zou ik Kamarpukur met bladgoud bedekt hebben. Maar ik weet, dat de wereld niet bestendig is en dat God alleen de Waarheid en reeel is.”

Goddelijke hulp

Bloeddyssenterie is een ernstige kwaal. De Meester leed er vaak aan vooral gedurende het regenseizoen. Eens was hij heel ernstig ziek en ik zorde voor hem. Een vrouw was net uit Varanasi in Dakshi­neswar aangekomen en zij bood een geneesmiddel aan. Ik volgde haar aanwijzingen en al spoedig was de Meester hersteld. Daarna verdween die vrouw en werd nergens meer gezien; ik kwam haar nooit weer tegen. Ze had me werkelijk een onschatbare dienst bewezen. Ik informeerde ook naar haar, toen ik in Varanasi was, maar ze was niet te vinden. We bemerkten vaak dat wanneer de Meester iets nodig had, er plotse­ling mensen als vanzelf opdoken in Dakshineswar en dan even plotse­ling verdwenen zonder een spoor achter te laten.

Een Verhaal van een Spook

Op zekere dag ging de Meester naar de villa van Beni Pal (in Sinthi) met Rakhal. Terwijl hij in de tuin wandelde, verscheen er opeens een spook, een geestesverschijning, die tegen hem zei: “Waarom kom je hier? Wij hebben het gevoel, dat we verschroeid worden door jouw aan­wezigheid hier. Maak dat je weg komt!" Het spook kon de zuivere, laaiende heiligheid van de Meester niet verdragen. De Meester liep door met een glimlach op zijn gelaat en zei er niets van tegen anderen.

Dadelijk na de avondmaaltijd verzocht hij iemand om een rijtuig te halen, hoewel van te voren afgesproken was, dat hij de nacht daar door zou brengen. Toen het rijtuig aankwam, stapte hij in en keerde nog diezelfde avond terug naar Dakshineswar. Toen ik het rijtuig hoorde aankomen voor de poort, trachtte ik te horen wat hij tegen Rakhal zei. Ik maakte me zorgen en vroeg me af: “Ik weet niet of hij zijn maaltijd heeft gehad en waar kan ik op dit uur iets te eten krijgen voor hem, als hij niet heeft gegeten.” Ik was er nl. vast van overtuigd, dat hij die avond niet terug zou komen en dus had ik niets in huis. De poorten van de tuin waren op slot en het was één uur ‘s nachts. Hij begon in zijn handen te klappen en bleef God’s naam_roepen en even later werd de poort geopend. Intussen zat ik te denken wat ik zou doen als hij honger had. Terwijl hij de tuin binnenkwam, riep hij tegen mij: “Maak je niet bezorgd over mijn eten. Ik heb al gegeten.” Toen vertelde hij Rakhal het verhaal van het spook. Rakhal schrok er van en zei: “Goede Hemel: Gelukkig heeft U me dat niet verteld toen we daar nog waren. Anders zou ik van angst aan het klappertanden zijn geraakt. Zelfs nu ben ik nog doodsbenauwd!”

De Foto van Sri Ramakrishna

Van de eerste foto van de meeester werden verschillende afdrukken gemaakt. De Brahmaanse kok had één van de foto’s. Die foto was erg donker in het begin, net als de beeltenis van Kali en dat was de reden waarom het aan de Brahmaan werd gegeven. Toen die uit Dakshi­neswar wegging - ik weet niet meer waar naar toe - gaf hij die foto aan mij. Ik bewaarde de foto samen met afbeeldingen van andere goden en godinnen en aanbad ze. In die dagen woonde ik op de benedenverdieping van de nahabat. Op zekere dag kwam de Neester daar toevallig en toen hij zijn eigen foto zag, zei hij: “Hallo, wat heeft dit te betekenen?” Lakshmi en ik waren aan het koken onder de trap. Toen zag ik, dat de Meestcr de bladeren en bloemen in zijn hand nam, die ik daar had verzameld voor de dienst en dat hij die wijdde aan de foto. Hij verrichtte de eredienst voor zijn eigen foto. Die brahmaan kwam nooit terug en dus bleef de foto in mijn bezit.

[ 4/ Deze foto staat nu op het altaar in het huis van de Heilige Moeder in het Udbodhan, Calcutta.]

Hoe zag de Meester er uit?

De gelaatskleur van de Meester was goudkleurig - net als harital (een geelachtig orpiment). De teint paste bij de kleur van het goudenamulet dat hij aan zijn arm droeg. Wanneer ik hem met olie inwreef kon ik duidelijk zien dat er een glans op zijn gehele lichaam verscheen. De mensen keken verwonderd naar hem als hij met langzame zekere schreden naar de Ganges liep om een bad te nemen. En wanneer hij uit zijn kamer kwam en naar de tempel ging, stond er een menigte te kijken en ze zeiden tegen elkaar: “0, daar komt hij aan!” Hetzelfde gebeurde in Kamarpukur. Mannen en vrouwen staarden naar hem met open mond, telkens wanneer hij het huis verliet. Op een dag ging hij wan-delen in de richting van het kanaal, dat Bhutir Khal wordt genoemd. En ze zeiden tegen elkaar: “Daar gaat de Meester!” Dat ergerde de Meester en hij zei tegen Hriday: “Hriday,doe gauw een sluier over mijn hoofd.”

De Meester was stevig gebouwd. Mathur Babu had hem een laag krukje gegeven om op te zitten. Het was nogal breed, waar net niet groot genoeg om makkelijk op te zitten wanneer hij met gekruiste benen zijn maaltijd nuttigde. Je zag de Meester nooit in een sombere stemming of in een slecht humeur. hij was steeds vrolijk en opgewekt in gezelschap van iedereen of het nu een jongetje van vijf jaar was of een oude man. Ik heb hem nooit gedeprimeerd gezien, kindlief.

Wat waren dat gelukzalige dagen: In Kamarpukur stond hij 's morgens vroeg op en dan zei hij tegen mij: “Vandaag dat eten.Wilt ge dat voor me koken?” Samen met familie bereidde ik dat toe voor hem. Een paar “Wat is er met mij aan de hand! Zodra ik wakker wil ik graag dit of andere vrouwen in de dagen later zei hij: word, zeg ik al:“Wat zal ik vandaag eten! Wat ga ik eten?” zin iets bepaalds te eten. Ik eet wel wat Daarna zei hij: “Ik heb geen gij voor mij toebereidt.”

Wat een Onafhankelijke Ziel!

Op zekere dag zei Hazra tegen de Meester: “Waarom verlangt U steeds naar Narendra en de andere jongens? Ze zijn heel gelukkig en tevre­den met elkaar als ze eten, drinken en samen spelen. U zou er beter aan doen Uw geest op God te richten. Waarom bent U zo aan hen gehecht?”Na het horen van die woorden, onthechtte de Meester zijn geest volkomen van de gedachte aan de jonge discipelen en hij verdiepte zich in de gedachte aan God. Hij verkeerde onmiddellijk in samadhi. De haren van zijn baard en op zijn hoofd stonden recht overeind net als de kadamba bloem. Stel je even voor wat voor een buitengewoon wezen de Meester was! Zijn lichaam was zo hard als een houten stand-beeld. Ramlal die voor hem zorgde, zei voortdurend: “Weest Uw gewone Zelf weer, alstublieft!” Ten lange leste kwam zijn bewustzijn weer terug op het normale niveau. Hij behield zijn bewustzijn slechts op het materiele niveau uit mededogen voor de mensheid.

Sri Ramakrishna's Onthechting.

Er was eens een vergissing begaan in de boekhouding betreffende het salaris van de Meester. Ik verzocht hem er met de manager van de tempel over te spreken maar hij antwoordde: “Wat jammer! Moet ik mij bezorgd maken over boekhouding?” Eens zei hij tegen mij: “Degene die God's naam uit zal nooit enige narigheid ondervinden. Gij hoeft U geen zorgen te maken!” Ik haal zijn eigen woorden aan. Onthechting (renuncieren) was zijn grootste sieraad. Je zult alles krijgen wat je wilt, als je toevlucht bij de Meester zoekt. Onthechting was zijn enige praal. Wij uiten zijn naam en eten en genieten van a11erlei dingen, omdat hij zichalles ter wille van ons heeft ontzegd. De mensen denken, dat zijn volgelingen ook heel spiritueel moeten zijn,aangezien hij een man was van zo'n volledige onthechting.

Lieve hemel! Op een goede dag kwam hij bij mij in mijn verblijf in de Nahabat. Hij had geen kruiden meer in zijn buideltje. Af en toe vond hij het lekker om daar wat van te nemen en er op te kauwen. Ik gaf hem meteen een paar om te pruimen en ik gaf hem ook enkele in een papieren zakje om mee te nemen naar zijn kamer. Toen vertrok hij maar inplaats van de richting van zijn kamer op te gaan, liep hij recht op de oever van de Ganges af. Hij kon de weg niet vinden en was zich van niets bewust. Hij zei maar steeds: “Moeder, zal ik mij verdrinken?” Ik begon ongerust te worden. In de rivier was het net hoogtij. Ik was toen nog een jonge vrouw en verliet mijn kamer niet en vanuit hier kon ik niemand ontwaren. Wie kon ik achter hem aan sturen? Op 't laatst bemerkte ik een Brahmaan, die bij de kali tempel was en mijn kant op kwam. Ik vroeg hem Hriday te roepen, die net zijn maaltijd nuttigde. Hij liet zijn eten staan en rende achter de Meester aan en pakte hem beet en geleidde hem terug naar zijn kamer. Hij stond net op het punt in de Ganges te vallen.

Enkel en alleen omdat ik hem wat kruiden had gegeven om mee te nemen, verdwaalde hij en kon de weg niet vinden. Een heilig man moet n.l. geen provisies vergaren. Zijn onthechting was honderd procent.

Er kwam eens een Vaishnava monnik in de Panchavati. In het begin maakte hij de indruk een man van grote onthechting te zijn. Maar op het laatst begon hij helaas als een rat allerlei dingen te vergaren: potten, kopjes, een stopfles, graan, rijst, bonen enz. De Meester bemerkte het en zei op een goede dag: “Arme stakker! Nu stort hij zich volkomen in het verderf.” Hij raakte in de netten van Maya verstrikt. De Meester raadde hem ernstig aan om onthechting te betrachten en daarna verzocht hij hem de tempeltuin te verlaten. Toen ging hij weg.

De Liefde die de Meester koesterde voor zijn volgelingen

De vrouw van Balaram was eens onwel. De Meester zei tegen mij: “Gaat alstublieft naar Galcutta en bezoekt haar.” “Hoe kan dat nou!” zei ik. Ik zie geen rijtuig of ander voertuig hier.”De Meester antwoordde op opgewonden toon: “Wat! Balaram’s familie zit in moeilijkheden en gij aarzelt te gaan! Gij zult te voet moeten gaan!” Uiteindelijk werd een draagstoel gebracht en ik ging op weg van DaRsnineswar.


(... to be continued)

Sunday, October 26, 2008

Chapter 1: Sri Ramakrishna



Gezegend is het land, waar Sri Ramakrishna werd geboren en gezegend zijn de ouders die de zorg voor het Goddelijke kind droegen; eveneens zijn de mensen gezegend die, hoewel ze hem niet gezien hebben, zijn onschatbare spirituele nalatenschap als erfenis ontvangen hebben en driemaal gezegend zijn de enkelen die zijn woorden hebben gehoord, hem konden aanraken, met hem spraken en bij hem waren. Romain Rolland schreef in zijn boek “Het leven van Sri Ramakrishna, de God-man”, "Ik ga een beschrijving geven van het leven van deze Jacob's ladder, waarop het tweevoudige ononderbroken leven van het Goddelijke in de mens opstijgt en neerdaalt tussen hemel en aarde."

Sri Ramakrishna werd geboren op 18 februari 1836 in Kamarpukur, een klein dorp 60 mijlen ten noordwesten van Calcutta gelegen.Zijn vader,Khudiram Chattopadhyay en zijn moeder, Chandramani, waren zeer gelovige, God-vererende mensen en beiden hadden visioenen over hun zoon, voordat hij geboren werd. Sri Ramakrishna groei-de op in Kamarpukur en ging op de dorpsschool waar hij leerde lezen en schrijven, maar al gauw verloor hij alle belangstelling in die "broodwinnende opvoeding."

Toen hij zes of zeven jaar oud was, had hij zijn eerste bovenzintuiglijke ervaring. In zijn latere leven vertelde hij wel eens: “Eens op een morgen nam ik wat gepofte rijst mee in een mandje terwijl ik al etende langs de smalle randen van de rijstvelden liep.Ergens in de lucht verscheen een prachtige zwarte regenwolk. Ik keek er naar en at van de rijst.Heel spoedig was bijna de gehele lucht door de wolk bedekt. En toen kwam er een troep kraanvogels aanvliegen. Ze staken sneeuwwit af tegen de zwarte wolk.Het was zo'n prachtig gezicht dat ik in de aanblik ervan verzonk.Toen verloor ik mijn bewustzijn van de buitenwereld.Ik viel neer en de rest van de rijst viel verspreid over de grond. Enkele mensen die het zagen kwamen aangelopen en zij droegen mij naar huis.”
Khudiram overleed in 1843. Sri Ramakrishna voelde het verlies van zijn vader heel intens en hij werd meer en meer in zichzelf gekeerd en meditatief. Soms ging hij alleen naar de naburige crematieplaats en beoefende daar spirituele disciplines.Ook ging hij naar de herberg in het dorp waar pelgrims, vooral monniken, overnachtten op weg naar Puri.Hij leerde van hen vele liederen en gebeden.Bovendien waren er vriendjes met wie hij speelde en vaak zongen ze met elkaar en voerden religieuze toneelstukken op. Toen hij negen jaar oud was werd hij overeenkomstig koord, zodat hij daarna ritualistische dienst mocht verrichten. Langzamerhand begon hij to helpen bij het verrichten van de dienst van de familiegodheden.

Sri Ramakrishna verhuisde naar Calcutta in 1852 met de bedoeling zijn oudere broeder Ramkumar te assisteren bij het verrichten van diens ritualistische dienst in privé huizen, hetgeen hij deed om in zijn onderhoud te voorzien; hij had de leiding van een school.Op 31 Mei 1855 officieerde Ramkumar bij de inwijdingsdienst van de Kali tempel in Dakshineswar, die gesticht was door Rani Rasmani, een rijke dame van Calcutta. Sri Ramakrishna was bij die functie aanwezig en kort daarna verhuisde hij naar Dakshineswar, enkele mijlen ten noorden van Calcutta gelegen en enige tijd later werd hij tot priester benoemd in de tempel.

Sri Ramakrishna ging zich nu serieus aan de spirituele taak wijden. Tijdens de eredienst, gewijd aan de Goddelijke Moeder, onder-vroeg hij haar: "Zijt Gij werkelijk aanwezig, Moeder, of zijn het alleen maar hallucinaties van mijn geest - slechts dichtkunst en geen realiteit? Indien Gij werkelijk alom tegenwoordig zijt, waarom kan ik U niet aanschouwen?" Naar de dagen voorbijgingen, werd het hevige hunkeren van Sri Ramakrishna naar God steeds intenser en hij bracht bijna vierentwintig uren van de dag door met bidden en mediteren. Op zekere dag was hij buiten zichzelf en ten prooi aan wanhoop. Hij beschreef het later als volgt:"Gedreven door mijn wanhoop zei ik tot mijzelf: “Wat voor nut heeft dit leven? Mijn blik viel op het zwaard, dat in de tempel hangt en ik besloot op dat moment mijn leven te beeindigen. Ik liep er op af als een bezetene en greep het beet. Toen had ik een overweldigend visioen van de Moeder en ik viel bewusteloos neer."



Na deze ervaring was het hem niet langer mogelijk om door te gaan met de eredienst in de tempel. Zijn familie dacht, dat hij gek geworden was en ze namen hem mee terug naar KamarpuKur en bereidden zijn huwelijk voor. In 1859 werd hij in de echt verbonden met Sarada Mukhopadhyay, een jong meisje uit het naburige dorp Jayrambati. In 1860 keerde Ramakrishna terug naar Dakshineswar en hij verdieptezich wederom in zijn spirituele stormachtige belevenissen. Hij vergat zijn tehuis, zijn vrouw, familie en was zich niet bewust van zijn eigen lichaam of van zijn omgeving.Hij beschreef eens zijn ervaringen van die periode:

“Ik had nauwelijks één spirituele crisis overwonnen, of een volgende overweldigde mij. Het was net alsof ik mij midden in een wervelwind bevond. Zelfs het heilige koord waaide van mij af. Meestal kon ik nauwelijks mijn dhoti aanhouden. Soms opende ik mijn mond en dan was het net alsof mijn kaken vanaf de hemel tot de onderwereld reikten! Dan riep ik wanhopig uit: “Moeder ! Ik had het gevoel, dat ik haar binnen moest halen, net als een visser de vis inhaalt met zijn sleepnet. Als ik op straat een lichtekooi zag, dan leek ze voor mij net op Sita, die op weg was naar haar zegevierende echtgenoot. Een Engels jongetje, dat tegen een boom geleund stond met gekruiste benen, herinnerde mij aan de jonge Krishna en dan verloor ik mijn bewustzijn. Soms deelde ik mijn voedsel met een hond. Mijn haar leek net een verwarde pruik en vogels streken gewoon op mijn hoofd neer en pikten rijstkorrels eruit, die er bij de dienst in geraakt waren. Slangen kropen gewoonweg over mijn bewegingloos lichaam.Iedere andere man had niet eens een vierde van die enorme drang kunnen verwerken: het zou zijn ondergang zijn geweest. Ik deed geen oog dicht gedurende zes lange jaren. Mijn oogleden konden niet meer knipperen. Ik stond voor een spiegel en trachtte mijn oogleden met mijn vinger te sluiten - maar tevergeefs.Ik werd bang en zei tegen Moeder: Moeder, is dit wat er gebeurt met degenen, die U aanroepen? Ik heb mezelf aan U overgeleverd en gij hebt mij deze vreselijke ziekte gegeven! Ik stortte, tranen maar dan opeens was ik vervuld van exstase. Ik zag, dat mijn lichaam niet langer van belang was, maar volkomen onbelangrijk. Moeder verscheen voor me en troostte me en bevrijdde me van mijn angst.”

Bhairavi Brahmani, een non, die de Tantric disciplines beoefende kwam in 1861 in Dakshineswar aan en zij wijdde Sri Ramakrishna in tot het beoefenen van de Tantric disciplines. Wat later beoefende hij de “Vatsalya” discipline (de verhouding van een vader ten opzichte van het Goddelijk Kind) onder leiding van Jatadhari, een monnik van de Vaishnava sekte. Daarna beoefende hij de “Madhura Bava”(de verhouding tussen de aanbidder en de Goddelijke geliefde.) En in 1864 werd hij ingewijd in Sannyasa (door de gelofte van een kloosterling af te leggen) door Tota Puri, een Vedantijnse monnik, waarbij hij Nirvikalpa Samadhi ervoer, hetgeen de culminatie be
tekent van spirituele disciplines. De kandidaat, die in deze staat verkeert, ervaart een gevoel van “Eenzijn” met Brahman, de uiteindelijke Realiteit.

In 1866 beoefende Sri Ramakrishna de Islam onder leiding van een Sufi, Govinda Roy genaamd. Later vertelde hij zijn discipelen "Ik repeteerde op vrome wijze voortdurend de naam Allah en vijf keer per dag ging ik mijn gebed doen. Drie dagen lang verkeerde ik in die staat en toen ervoer ik na het beoefenen van dat geloof de volledige realisatie ervan.” Bovendien had hij in 1874 een visioen van de Madonna met het kind Jezus tijdens een bezoek aan de zitkamer van Jadu Mallik’s villa in Dakshineswar. “Een paar dagen later bemerkte ik terwijl ik in de Panchavati liep, een buitenlands uitziend persoon die me tegemoet kwam. De man had een heel mooi gelaat met grote glanzende ogen. Terwijl Sri Ramakrishna erover peinsde wie die vreemdeling wel kon zijn, hoorde hij en stem in zijn binnenste die zei: “Dit is Jezus Christus, de grote Yogi, de geliefde zoon van God die verenigd was met zijn Vader en die zijn hartebloed vergoot en folteringen ondervond ten behoeve van de verlossing van de mensheid.” Jezus omarmde Sri Ramakrishna en verenigde zich met hem.

Daarna na de Realisatie van God in verschillende religies, verklaarde Sri Ramakrishna: “Er zijn evenveel geloven als er wegen zijn,die leiden tot God." Sri Ramakrishna ontmoette vele bekende persoonlijkheden van die tijd, zoals Michael Madhusudan Datta, Devendra Nath Tagore, Dayanand Saraswati, Ishwar Chandra Vidyasagar, Dr. Mahendralal Sarkar, Bankim Chatterjee, Joseph Cook, Mr.Williams, Mr.Missir en anderen. In 1875 ontmoette Sri Ramakrishna Keshab Chandra Sen, de leider van de Brahmo Samaj. Heel veel mensen hoorden voor het eerst van de heilige uit Dakshineswar door Keshab's artikelen, die in de Brahmo publicaties verschenen. Tussen 1879 en 1885 kwamen de toekomstige kloosterdiscipelen, zowel als de lekenbroeders bij Sri Ramakrishna. Hij leidde hen op, zodat zij zijn missie konden voortzetten en hij stelde Swami Vivekananda aan als hun leider. Sri Ramakrishna' s tijding voor de wereld was: “Stoor je niet aan doctrines; stoor je niet aan dogmas of sekten of kerken of tempels. Dat alles heeft weinig te betekenen vergeleken met de ware essentie van het bestaan in ieder mens, hetgeen spiritualiteit is. Naarmate een mens dat verder ontwikkelt, in dezelfde mate draagt hij bij tot zijn eigen goed. Verdien dat eerst en verwerf het en oefen geen kritiek uit op geen enkel mens, want in a11e doctrines en geloofsbelijdenissen is iets goeds. Toon door je leven, dat religie niet slechts uit woorden of namen of sekten bestaat, maar dat de werkelijke betekenis spirituele realisatie is."

Zodra de bloem bloeit, komen de bijen vanzelf. Mensen kwamen overal vandaan om Sri Ramakrishna te zien en soms sprak hij ononderbroken dag en nacht over God en dit ging zo jarenlang door. Door zijn diepe liefde voor de mensheid, kon hij het niet over zich verkrijgen om iemand hulp te weigeren. Midden 1885 begon hij vanwege die enorme fysieke inspanning symptomen te krijgen van keelkanker. Wanneer de discipelen trachtten hem ervan te weerhouden instrukties te geven, dan zei hij: “Het doet er niet toe. Ik ben bereid twintigduizend lichamen op te offeren, als ik één mens helpen kan, die er baat bij vindt.


Sri Ramakrishna overleed op 16 augustus 1686, in een villa in Cossipore, een voorstad van Calcutta.Romain Rolland verklaarde: “De mens was ons ontnomen, maar zijn geest spoedde voort langs de weg van collectief leven tot diep in de aderen der mensheid.”

BLOEDVERWANTEN EN KLOOSTERBROEDERS
(Discipelen)